In art 24 van de Pensioenwet is bepaald dat de werkgever de verschuldigde pensioenpremie (zowel de werkgevers- als de werknemerspremie) aan de pensioenuitvoerder moet betalen. De werknemer betaalt zijn eigen bijdrage via inhouding op het loon door de werkgever. Art 7:63, derde lid, BW staat de inhouding van de werknemersbijdrage door de werkgever zonder instemming van de werknemer toe.

De vraag doet zich voor of deze werknemersbijdrage onderdeel uitmaakt van de pensioenovereenkomst. Deze vraag is relevant om de reikwijdte van het instemmingsrecht ex art. 27 van de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) te  kunnen bepalen. Volgens dit artikel  is de ondernemingsraad instemmingsbevoegd bij een voorgenomen besluit van de ondernemer  tot wijziging, vaststelling en intrekking van een regeling tot een pensioenverzekering.  Met de regeling tot een pensioenverzekering wordt in ieder geval in zijn algemeenheid de pensioenovereenkomst bedoeld.

De pensioenovereenkomst is  in de Pensioenwet gedefinieerd als “hetgeen () is overeengekomen betreffende pensioen.  Betoogd kan worden dat de Pensioenwet ruimte lijkt te bieden om werknemersbijdrage onder de pensioenovereenkomst te brengen.

De Rechtbank Rotterdam (2 mei 2010) was evenwel van mening dat premieverdeling als primaire arbeidsvoorwaarde niet onder het instemmingsrecht valt van de Ondernemingsraad. Ook het College voor de Rechten van de Mens (CRvM)  sprak zich in het verleden In gelijke zin uit – zij het in de context van (on)gelijke behandeling (CGB 2004-52, PJ 2004/88/89). Het CRvM huldigde toen het standpunt – in de discussie over het uitdrukken van de werknemersbijdrage als percentage van staffelpremie –  dat de werknemersbijdrage niet kon worden gezien als pensioen (in de zin van de Wet Gelijke Behandeling van Leeftijd) maar, als onderdeel  van het loon, zijnde primaire arbeidsvoorwaarde. In dit verband zij erop gewezen dat  het begrip “primaire arbeidsvoorwaarde” nergens wettelijk is vastgelegd.

Volgt men de gedachte van de Rechtbank en het CRvM, dan betekent uitsluiting van primaire arbeidsvoorwaarden van het instemmingsrecht een inperking van het instemmingsrecht van de OR.

Terecht is daarom dat de Hoge Raad op 24 januari 2014 (ECLI:NL HR 2014:159) in zijn arrest  een andere koers gaan varen; de Hoge Raad stelde vast dat de wijziging van pensioengrondslag – door een bepaald variabel loonbestanddeel niet langer mee te nemen – moet worden gezien als een kwestie van instemmingsplichtig.

Ook uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever het instemmingsrecht wilde beperken tot primaire arbeidsvoorwaarde. Tijdens de parlementaire behandeling merkte de regering ook op dat men er over kan twisten of de pensioenregeling tot de primaire arbeidsvoorwaarden moet worden gerekend en dat dat in de optiek van de regering niet het geval is.

Naar mijn mening kan aan het arrest van de Hoge Raad thans redelijkerwijs de conclusie worden ontleend  dat de werknemersbijdrage of premieverdeling bij een pensioenregeling  onderdeel uitmaakt van de pensioenovereenkomst, waarvan de wijziging, vaststelling of intrekking onder het instemmingsrecht van de Ondernemingsraad valt.