In toenemende mate zetten verplichte bedrijfstakpensioenfondsen hun opsporingsapparaten in de hoogste versnelling op zoek naar een niet aangesloten werkgever in hun sector.

Zijn die werkgevers eenmaal in het vizier van die pensioenfondsen, dan volgen snel daarna de aanschrijvingen, premienota’s, dwangbevelen enz; dit alles om de niet betaalde pensioenpremies met terugwerkende kracht te incasseren.

Vooral deze premievordering over het verleden blijkt steeds een discussiepunt tussen pensioenfonds en werkgever.

Rechtsvorderingen tot periodieke betaling (zoals pensioenpremies) verjaren door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden, aldus art. 3: 308 BW.

De opeisbaarheid van de vordering begint te lopen vanaf het moment dat de werkgever onder de verplichtstelling valt; de werkgever is vanaf dat moment dan verplicht aangesloten. Met de verplichte aansluiting begint dan ook de verplichting van de werkgever tot premie-afdracht aan het fonds; met de verplichte aansluiting nemen de werknemers ook verplicht deel aan het fonds.

Dit alles vloeit voort uit het wettelijk stelsel van verplichte deelname aan bedrijfstakpensioenfondsen.

Tot voor kort gold dan ook in de praktijk én in de juridische literatuur een verjaringstermijn van vijf jaar vanaf het moment dat de werkgever verplicht was aangesloten.

Echter, in zijn uitspraak van 5 oktober 2015 werd de tot heden gangbare en door de jurisprudentie gelegitimeerde praktijk door de kantonrechter Utrecht (nu: Rechtbank Midden Nederland) aanmerkelijk genuanceerd.

De kantonrechter stelt dat de werkgever zelf de plicht had om zijn werknemers aan te melden bij het fonds en dus zelf had moeten onderzoeken of hij verplicht was aangesloten bij het fonds. Daarmee legt de kantonrechter nadrukkelijk de onderzoeksplicht bij de werkgever in plaats van bij het fonds.

De kantonrechter concludeert dat de verjaringstermijn van premievordering pas begint te lopen vanaf het moment dat het pensioenfonds constateert dat de werkgever onder de verplichtstelling valt van het fonds.

De consequenties van de uitspraak van de kantonrechter voor de werkgevers zijn niet mals te noemen. Zo worden zij nu gemaand om zelf te onderzoeken of zij al dan niet onder de verplichtstelling van een pensioenfonds vallen. Ook mogen pensioenfondsen over een periode van meer dan vijf jaren premies vorderen. En, omdat de werkgever premieplichtig is kan het premieverzuim van de werkgever voor de werknemer vervolgens aanleiding zijn schadevergoeding te eisen van de werkgever.

Of de uitspraak van de kantonrechter stand houdt in de volgende rechtsprocedures is nog maar de vraag. Met het oog op de rechtszekerheid zou een hoger beroep bij het Gerechtshof geïndiceerd zijn.

Advies voor werkgevers:

Weet u niet zeker of uw onderneming onder een bedrijfstakpensioenfonds valt, laat u zich dan het onderzoek doen door een specialist in deze materie, die ook u kan begeleiden in de vervolgstappen. De vervolgstappen zijn meestal juridisch van aard. Het is dus zaak dat de specialist tevens juridisch gekwalificeerd is om in rechte op te treden.

Tweedepijler Pensioenadvies is deskundig en zeer ervaren met begeleiding van werkgevers in dit soort kwesties. Wij zijn niet alleen pensioenadviseur sec, maar ook  jurist gespecialiseerd in het pensioenrecht. Neem contact met ons op info@2epijlerpensieonadvies of telefonisch op 06-38531080.

 

Geef een reactie