De casus:

In de zaak die aan de Rechtbank Rotterdam (ECLI: NL:RBROT:2015:2988) op 6 maart j.l. is voorgelegd heeft de werkgever kenbaar gemaakt de pensioenregeling per 1 januari 2015 te willen wijzigen; de werkgever treft in het kader hiervan een compensatie (maatregel). De werkgever legt het voorgenomen besluit ter instemming aan de Ondernemingsraad voor.

De Ondernemingsraad (OR) verleent weliswaar zijn instemming aan het voorgenomen besluit tot wijziging van de pensioenregeling, maar wèl onder de voorwaarde dat de werknemers volledig zouden worden gecompenseerd op basis van budgetneutraliteit.

De werkgever meent echter dat de compensatiemaatregel geen instemming van de Ondernemingsraad behoeft, omdat de compensatiemaatregel ziet op een primaire arbeidsvoorwaarde, namelijk een wijziging of verhoging van het brutoloon.De werkgever vraagt nu de kantonrechter om een vervangende toestemming (art. 27, lid 4 van de WOR) ten einde het voorgenomen besluit in te voeren.

Rechterlijk oordeel:

De kantonrechter meent, anders dan werkgever,  dat het instemmingsverzoek van de werkgever wel degelijk betrekking had op zowel de voorgenomen wijziging van de pensioenregeling als op de voorgenomen compensatiemaatregel. De werkgever heeft dus volgens de kantonrechter hiermee de compensatiemaatregel deel laten uitmaken van het instemmingsverzoek.  De kantonrechter vindt het onthouden van instemming door de Ondernemingsraad hier niet onredelijk. Ook is er geen sprake van zwaarwegende bedrijfsorganisatorische, bedrijfseconomische of bedrijfssociale redenen om het voorgenomen besluit van de werkgever zonder instemming van de Ondernemingsraad in te voeren.

Advies aan de Ondernemingsraad:

Zorg, dat bij de wijziging van de pensioenregeling, die tot versobering of verslechtering leidt, de instemmingsaanvraag van de werkgever (bestuurder) in ieder geval twee onderdelen bevat:

  1. de voorgenomen wijziging in de pensioenregeling
  2. de voorgenomen compensatiemaatregel ten aanzien van de gewijzigde (lees versoberde) pensioenregeling.

Is de werkgever (bestuurder) voornemens het voorgenomen besluit zonder instemming van de Ondernemingsraad door te voeren, roep dan tijdig (binnen een maand) en schriftelijk de nietigheid van het besluit in (artikel 27 lid 5 van de WOR). Nietig betekent dat het besluit geen rechtsgevolgen heeft; men is er niet aan gebonden.

De ondernemingsraad kan de nietigheid inroepen zowel wanneer hij niet om instemming is gevraagd, als wanneer hij niet heeft ingestemd en de ondernemer het besluit desondanks uitvoert.

Als de werkgever (bestuurder) ondanks het schriftelijke beroep van de Ondernemingsraad op de nietigheid – toch uitvoert of toepast, kan de Ondernemingsraad de kantonrechter vragen de werkgever te verbieden zijn besluit uit te voeren (artikel 27, lid 6 van de WOR).