Vervangende toestemming bij niet-instemming ondernemingsraad

Krijgt de bestuurder/ondernemer voor een voorgenomen besluit tot wijziging van een pensioenregeling geen instemming van de ondernemingsraad (OR), dan kan hij de kantonrechter om vervangende toestemming vragen.

Kort geding resp. voorlopige voorziening heeft een voorlopig karakter.

De ondernemer kan in spoedeisende gevallen vooruitlopend op de bodemprocedure in kort geding een voorziening vragen tot uitvoering van het besluit. Die voorziening heeft echter slechts een voorlopig karakter.

Is het de ondernemer in kort geding resp. voorlopige voorziening toegestaan een ongeclausuleerde vervangende toestemming vraagt om het besluit van het dienstenpakket vast te stellen dan wel uit te voeren.

Nee, zegt het Gerechtshof Arnhem in zijn uitspraak van 22 maart 2005 (JAR 2005, 112 Novio):

Immers, de vordering van de ondernemer behelst in dit geval een constitutionele beslissing en daar is in een kort geding-procedure geen plaats voor. Het Hof vernietigt daarom het vonnis van de kantonrechter dan ook en stelt vast dat het de voorzieningenrechter niet toegestaan is de onvoorwaardelijk geformuleerde vordering van de ondernemer, in dit geval een vervangende toestemming, toe te wijzen zonder daaraan enige beperking of voorwaarde te verbinden. De ongeclausuleerde toestemming is met haar aard en strekking in strijd met het voorlopige karakter van een in kort geding te geven voorziening, aldus het Hof.

Advies voor de ondernemer/bestuurder bij ontbreken instemming ondernemingsraad in kort geding.

Wilt de ondernemer bij gebrek aan instemming van de ondernemingsraad een vervangende toestemming vragen aan de kantonrechter, dan is een kortgeding procedure niet de aangewezen weg. Ook al zou in dit geval sprake kunnen zijn van een spoedeisend belang.

In het algemeen echter kan worden gesteld dat een spoedeisend belang zich niet snel zal voordoen bij voorgenomen pensioenbesluit. Een spoedeisend belang is evenwel denkbaar in een situatie waarbij de werkgever failliet is verklaard. Stel dat die werkgever verzuimd heeft een eenzijdig wijzigingsbeding (artikel 19 Pensioenwet of artikel 7: 613 BW) of premiebetalingsvoorbehoud (ex artikel 12 Pensioenwet) in de pensioenovereenkomst op te nemen. In die situatie is het legitiem dat de werkgever een kort geding aanspant om de bestaande pensioenovereenkomst te kunnen wijzigen.

Wil de ondernemer bij gebrek aan instemming van de ondernemingsraad bij kort geding kans van slagen hebben? vraag dan een voorlopig oordeel van de rechter. Een vervangende toestemming kan dus niet aan de kort-gedingrechter worden gevraagd, omdat deze geen voorlopig karakter heeft, maar een constitutief, d.w.z. beslissend. Ook een verklaring voor recht kan dus in kort geding niet gevorderd worden.

Geef een reactie